Stockholm

Het was weer eens zover. Een retourtje dierenkliniek. Uiteraard buiten openingstijden, alsof de heren weten dat ze dan geen tijd hoeven door te brengen in de wachtruimte en geen andere dieren tegen zullen komen. Deze keer was mijn kater Ed weer eens aan de beurt met een hoofdwond en een bijpassend abces in de wang. Een feestje voor wie een sterke maag heeft. Minder voor de rode bonk testosteron zelf, maar hij hield zich kranig en liet de dierenarts gedwee haar werk doen.
Een kuurtje antibiotica en pijnstillers voor de komende dagen als vervolg op het leeg drukken van zijn hoofd. En dat betekende voorlopig geen buitenshuiselijke avonturen. Kattenluik op slot, ramen dicht. Opgesloten. Ontdaan van vrijheid en alle mogelijkheden om zijn duurverdiende territorium in klauwen te houden. Gedoemd tot uren lang depressief naar buiten turen, naar wat er zich buiten zijn macht om onder het raam afspeelt.
En dan die smekende oogjes waar de animators van DreamWorks slechts van kunnen dromen. Dit was het echte werk. Als splinterende houten staken doorboorden ze iedere keer weer opnieuw mijn hart. Niet terug kijken had geen zin. Ik voelde ze toch wel. Ze roerden flink door mijn schuldgevoel. Maar mijn zorgen om zijn overlevingskansen waren groter dan zijn tovenarij over mijn gevoelswereld. Tenminste... Uiteindelijk bond ik toch iets in. Tweemaal daags, nadat hij zijn medicatie gekregen had, zijn we samen een blokje om gaan lopen. Uit ervaring wist ik dat hij dan altijd dichtbij me blijft en ook weer mee naar de voordeur zou lopen. Zoals verwacht liep hij meestal ook zelfstandig weer mee naar binnen. Een enkele keer heb ik hem behoed van een ontsnappingspoging en hem, de inmiddels natgeregende bol rode pluis stevig in mijn armen drukkend, vanuit een gangetje achter de huizen weer mee naar binnen gedragen. Om daar de doordringende toveroogjes de rest van de dag weer te moeten doorstaan. Gedeelde smart, zullen we maar zeggen.
Het zette me aan het denken. Wie was ik om te bepalen of een kat wel of niet naar buiten mocht. Wie was ik uberhaupt om te bepalen dat deze woning zijn thuis was? Mijn beide heren, voor zover ze ook maar van mij zijn, hebben zo hun stamkroegen in de wijk waar ze eten en drinken en ze hun fysieke vertier halen bij de aaigrage handen van buurtbewoners. En ik vind daar wat van. Vooral dat ze elders gepaaid worden met eten, dat ze dan thuis uit komen kotsen, omdat hun maagjes niet tegen zoveel verteerbare liefde bestand zijn. Maar wie ben ik? En wat is mijn thuis voor hen?
Acht jaar geleden heb ik beide mannen een dag na elkaar uit twee verschillende dierenasiels geplukt. De daaropvolgende maanden heb ik ze binnengehouden om te wennen aan mij en hun nieuwe thuis. Zeker Ed, die maanden achter mijn vaatwasser heeft gewoond voordat hij zich een beetje veilig begon te voelen in de nabijheid van mensen, heeft lang nodig gehad om mijn huis – en dan met name mijn aanwezigheid daarin– als het zijne te kunnen vertrouwen. En in alle rust heb ik hem zijn proces daarin laten lopen. Hem niet opgejaagd en hem het tempo van ons opbloeiende contact laten bepalen. Zoveel mijlpalen. De eerste keer dat hij in mijn bijzijn achter de vaatwasser uit kwam. De eerste keer dat hij uit zichzelf aan me kwam snuffelen. Dat hij voor het eerst bij me op de bank sprong. En uiteindelijk eigenpotig zelfs mijn schoot ontdekte. Inmiddels is het hek van de dam en staat hij me op te wachten als ik thuis kom en kruipt hij te pas en te onpas bij me op schoot. Hoe dichterbij, hoe beter. Het vertrouwen dat hij in me heeft, bezorgd me nog met regelmaat een brok in mijn keel. Het heeft een bijzondere band tussen ons gekweekt. En hoewel ik voornamelijk ontzettend gelukkig ben dat hij zich nu zoveel veiliger voelt in het bijzijn van mensen, steekt het me ook stiekem wel een beetje als ik zie dat hij zonder enige twijfel zo naar een buurvrouw loopt om geknuffeld te worden. Vooral omdat ik weet dat daar de nodige ongezonde blikken voer aan te pas gekomen zijn. Dat voelt niet eerlijk. Alsof ons jarenlange werk samen er niet meer toe doet. En eerlijk is eerlijk, dan is het ook wel even fijn dat hij nu even zoveel thuis is en het enkel met mijn menselijke aandacht zal moeten doen.
Opgesloten. Onvrijwillig. Het knaagt aan me. Wat is onze band waard als die gebaseerd is op onvrijwillige opsluiting. Geen alternatief. Het enige contact wat mogelijk is. Natuurlijk is hij dat gaan waarderen. Als ik lange tijd had moeten overleven op het enkel kunnen eten van spruitjes, dan was ik ook van ze gaan houden. Terwijl ik er, in de vrijheid die ik genoten heb, mijn hele leven al van walg.
Waren mijn katers bij me gebleven als ik ze van begin af aan de vrijheid gegeven had om te gaan? Ik vermoed van niet. Maar ik heb ze ontvoerd en als een geoefend kidnapper, of beter: catnapper, gedaan alsof dat het beste voor ze was. Ze liefdevol benaderd en verzorgd, terwijl ik in feite volledige controle had over de invulling van al hun levensbehoeften. Net zolang totdat er een emotionele band tussen ons was ontwikkeld en hun overlevingsmechanisme fundament vond op afhankelijkheid van mijn thuis en mijn zorg.
Dat mijn mannen bij me blijven, is eigenlijk volledig gebaseerd op een gevalletje maatschappelijk geaccepteerd Stockholm syndroom. Met mij als gijzelnemer. En met die kennis zal ik nu, enkel gestraft door mijn eigen bewustzijn, voor altijd moeten leven. Of misschien totdat iemand een draak voor me verslaat en ik, bij het licht van een volle maan en in het bijzijn van een eenhoorn een kikker heb gekust en de betovering van Ed zijn oogjes wordt doorbroken.